Korte samenvatting PBRA:
Het ontwerp PBRA bestaat uit de strategische visie en drie beleidskaders: "Verdichten en ontdichten van de ruimte" en "Levendige kernen" "Sterke netwerken: ruimte en mobiliteit".
Het ontwerp behoudt de bespreking van enkele belangrijke trends en uitdagingen, zoals aangehaald in het voorontwerp:
- de bevolking veroudert en gezinnen verdunnen: discrepantie tussen vraag en aanbod;
- de aarde warmt op: meer overstromingen en tegelijkertijd droogte (oppervlakte en grondwater), hitte-eiland effect;
-
de wagen blijft het meest populaire vervoersmiddel: keuzes in ruimtelijk beleid beïnvloeden mobiliteitsgedrag en kunnen alternatieven stimuleren;
-
meer en bewustere invulling vrije tijd, meer gevarieerd aanbod dat druk zet op de open ruimte (en verhoogde mobiliteit meebrengt);
- diversiteit in economische ruimtevraag: in woongebied verweefbare bedrijven worden vaak in afgezonderde locaties gebouwd wat blijvende vraag naar bedrijventerreinen als gevolg heeft;
-
schaalvergroting (vooral in tuinbouw): aantal ondernemingen daalt, ruimte-inname stijgt, zorgzaam omgaan met vrijkomende gebouwen in landbouwgebied;
- verlies aan biodiversiteit: hoe meer divers de natuur, hoe robuuster en meer bestand ze is tegen problemen zoals klimaatverandering en natuurrampen.
Samengevat:
De druk op de ruimte blijft toenemen.
De uitdaging:
Gepast omgaan met de grote vraag naar ruimte zonder deze ruimte verder te laten bebouwen en verharden door middel van het toepassen van 4 principes en 7 strategieën.
Vier ruimtelijke principes:
- zuinig ruimtegebruik;
- veerkracht;
- nabijheid en bereikbaarheid;
- eigenheid.
Zeven strategieën:offensieve open ruimte;
versterkte vervoercorridors;
sluitend locatiebeleid voor hoogdynamische functies;
levendige kernen;
samenhang ecologisch netwerk;
energie-efficiëntie;
van versnippering naar bundeling.
Men besluit met de intentie om dit beleid te verwezenlijken via een bovenlokale aanpak gericht op samenwerking. Men onderschrijft het belang van andere partners zoals de gemeentebesturen, vervoerregio's, departement Omgeving, ...
Men beseft dat sommige zaken niet binnen de bevoegdheden van de provincie liggen.
Deze visie is in lijn met de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
Belangrijk algemeen aandachtspunt vanuit de dienst omgeving:
Een beleidsplan en bijhorende kaders hebben geen verordenende kracht zoals stedenbouwkundige voorschriften of verordeningen. De provincie kan haar gewenste beleid in de beleidsdomeinen waarvoor zij bevoegd is uiteraard uitvoeren zonder akkoord van andere overheden (gemeenten, gewest). In de beleidsdomeinen waar de lokale overheid bevoegd is, zal er samenwerking en eensgezindheid nodig zijn. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van Vlaanderen in uitvoering van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, waarvoor momenteel enkel nog maar de strategische visie goedgekeurd is. De provincie kan op de bevoegdheden van de lokale overheid enkel sturen d.m.v. advisering, sensibilisering, vorming, aanreiken van goede voorbeelden, etc... Daarom wordt herhaaldelijk gevraagd om bepaalde beleidslijnen over te nemen in gemeentelijke beleidsplannen. Ook Vlaanderen zal op deze manier gaan werken met haar beleidskaders voor wat de bevoegdheden van de lokale overheden betreft.
De provincie heeft wel beslissende invloed op 3 vlakken:
- in haar rol als vergunning verlenende overheid in laatste aanleg, "de beroepen", kan zij beslissingen van de gemeente over omgevingsvergunningsaanvragen volledig veranderen: een weigering wordt een vergunning of vice versa;
- de provincie kan een gemeentelijk RUP schorsen indien ze oordeelt dat die niet in lijn is met haar beleidsplan;
- de provincie kan delen van het GRS schrappen indien ze oordeelt dat die niet in lijn zijn met haar beleidsplan;
Vlaanderen heeft eveneens de bevoegdheid om RUP's te schorsen en om delen van het GRS te schrappen. Anders dan de provincie heeft Vlaanderen echter de mogelijkheid om het wetgevend kader aan te passen en instrumenten op te maken die de realisatie van de visie vergemakkelijken. Dat zijn ingrepen die veel meer effect genereren dan beleidskaders op eender welk bestuursniveau.
Doordat de verordende invloed van de provincie beperkt is, hebben de lokale besturen een zeer grote verantwoordelijkheid in het doen slagen van deze eveneens zeer grote uitdagingen. Er moet in tijd veel verder gekeken worden dan de korte termijn van een legislatuur en in ruimte voorbij de grenzen van de eigen gemeente.
Het college en de gemeenteraad hebben geen opmerkingen over de keuze van de principes en de strategieën, maar hebben wel volgende bedenkingen/opmerkingen:- De provincie dient steeds te werken binnen de bevoegdheden die aan haar zijn toegekend;
- Met welke strengheid gaat de strategische visie en de bijhorende beleidskaders ingezet worden in bijvoorbeeld het vergunningenbeleid (beroepen) en hoe verhoudt dat zich tot het uitgangspunt om vooral op samenwerking in te zetten?
Integratie van het advies van de gecoro
Heel wat opmerkingen van de gecoro waren reeds verwerkt in de analyse vanuit de diensten en het beleid. Op volgende thema's werden nog aanpassingen doorgevoerd op basis van het advies van de gecoro: voorstel tot schrapping passages uit GRS op zich wel goed al is de argumentatie fout, invloed van AZ Sintt-Maarten op kern Elzestraat (als voorbeeld van de belangrijkheid van juiste en actuele informatie), mobiliteit als belangrijk criterium in afwegingskader verweefbaarheid van functies in de kern, het algemene belang moet (terug) meer gewicht krijgen dan het individuele belang bij planning en vergunningsaanvragen.
De beleidskaders:
1. Beleidskader Sterke netwerken: ruimte en mobiliteit.
Dit beleidskader zoekt naar mogelijkheden om de samenhang tussen verschillende plekken te bewaren en te versterken. Plekken staan immers niet op zich, ze zijn altijd een deel van hun omgeving. Dit wordt vooral zichtbaar op bovenlokaal niveau.
Binnen de netwerken kan elke locatie haar kwaliteiten maximaal benutten, aangezien de positie binnen een netwerk de unieke mogelijkheden van elke plek bepaalt. Netwerken stimuleren de ontwikkeling van goed gelegen plekken. Vanuit het onderzoek naar de positie van een plek binnen een netwerk en de samenhang tussen de plekken onderling, bekijkt men hoe (hoog)dynamische functies zich verder kunnen ontwikkelen op bovenlokale schaal.
In dit beleidskader richt men zich op de link tussen ruimtelijke ordening en mobiliteit. Hoogdynamische functies, die mobiliteit genereren, worden enkel nog gestimuleerd op multimodale vervoersknopen. Samenwerking tussen partners, niveaus en sectoren is daarbij essentieel.
Dit alles wenst men te realiseren door het uitwerken van kaders en instrumenten:
- Ruimtemodel en ruimtekompas om inzicht te krijgen in eigenheid en functioneren van goed gelegen plekken
- Samenbrengen van dorps- en stadskernen tot regionale woningmarkten
- Bewaken van de samenhang tussen netwerken
Het college en de gemeenteraad hebben de volgende opmerkingen:
- De data gebruikt voor o.a. het ruimtekompas is ondertussen gedateerd (2016), maar wordt wel gebruikt voor categorisering van bijvoorbeeld de kernen. De data zou bijgewerkt moeten worden vooraleer het beleidsplan definitief goedgekeurd wordt en dient rekening te houden met reeds beslist beleid. De provincie moet hierbij nauwer samenwerken met de gemeenten die de beste gebiedskennis hebben.
Daarna zou de data regelmatig bijgewerkt moeten worden en doorwerking moeten hebben wanneer bepaalde grenswaarden overschreden worden.
- Het ontbreekt aan een (correcte) inpassing van het PBRA in andere relevante, reeds verder ontwikkelde Vlaamse beleidskaders waaronder het BVR rond mobipunten en decreet basisbereikbaarheid (vervoerregio's);
- Het ontbreekt aan een expliciete subsidiariteitsargumentatie om een beleidskader rond multimodale vervoersknopen uit te werken. De vervoerregio is het aangewezen platform om dit te bepalen. De regionale en interregionale vervoersknopen zijn al vastgelegd. De provincie kan zich niet de besluitvorming omtrent strategische multimodale vervoersknopen toe-eigenen. De categorisering die de provincie opgebouwd heeft, stemt niet steeds overeen met de categorieën bepaald door de vervoersregio;
- De criteria die gehanteerd worden
en de daaruit voortvloeiende besluitvorming zijn niet steeds in overeenstemming met wat in de vervoerregio's vastgelegd wordt en hebben verregaande gevolgen voor de lokale besturen naar ontwikkelingsmogelijkheden. Het beleidsplan dient rekening te houden met het beslist beleid.
2. Beleidskader Levendige kernen.
In dit beleidskader wordt het belang van kwalitatieve multifunctionele kernen naar voren gebracht. Deze zorgen voor duurzame leefomgevingen en kunnen verschillende uitdagingen het hoofd bieden. Eén van deze uitdagingen is méér doen met dezelfde ruimte. Verder zijn de uitdagingen zeer verscheiden in onderwerp en complexiteit:
Het grootste deel van bijkomende bebouwing en functies dient opgevangen te worden in multimodaal ontsloten kernen met voldoende voorzieningen, om op die manier versnippering van de open ruimte te stoppen. De provincie heeft haar regionaal woonprogramma uitgewerkt in regionale woningmarkten in plaats van een verdeling per gemeente of per kern, zoals dit in de structuurplanning gedaan werd (maar niet succesvol was). Ook nu stelt zich de vraag wie dit gaat sturen. Moet dit allemaal in onderling overleg met de gemeenten binnen de regionale woningmarkt? Wie en hoe wordt de evolutie gemonitord? Een vaststelling: stad Mechelen voorziet 9.750 bijkomende wooneenheden tegen 2035. De provincie voorziet 4.744 wooneenheden voor de gehele Mechelse regionale woningmarkt (stad + Duffel + SKW + Bonheiden + Putte). Dat is minder dan de helft.
Alle kernen (stads- en dorpskernen) dienen levendig en klimaatbestendig gehouden te worden. De provincie wil kernen versterken om de levenskwaliteit te verhogen, veerkracht te bevorderen en de eigen identiteit / karakter van de kern te versterken. Dit dient steeds te gebeuren op maat van de kern in relatie met haar omgeving.
Kernversterking en verweving van activiteiten vormen de basis voor levendige kernen. Daarnaast wordt resoluut gekozen voor een groenblauwe dooradering van de kernen om ademruimte te creëren. Kernversterking is een begrip dat verschillende interpretaties kent en vaak geassocieerd wordt met verwante begrippen zoals clustering, zuinig ruimtegebruik, optimalisatie, inbreiding, verweving, verdichten, multifunctionaliteit, ruimtelijk rendement, enz.
Kernversterking gaat in hoofdzaak om het behalen van een kwaliteitsslag, bijvoorbeeld door in te zetten op beeldbepalend patrimonium, nieuwe invullingen voor lege plekken, hoger of ondergronds bouwen, bundelen en verweven van functies, groenblauwe dooradering, vergroenen van openbare ruimte, …
De provincie heeft de kernen onderverdeeld in meerdere types. De methodiek daarvoor is gebaseerd op data (ruimtelijk, demografisch, sociaal-maatschappelijk, ...). De kern Pasbrug-Nieuwendijk bevindt zich in de categorie "stedelijke dorpskern", vanwege de ligging binnen de afbakening stedelijk gebied Mechelen, en de kernen Elzestraat, Onze-Lieve-Vrouw-Waver (Waver) en Sint-Katelijne-Waver (Centrum) bevinden zich in de categorie "dorpskernen". De provincie stelt per type ontwikkelingsperspectieven voor waarvan men verwacht dat de lokale besturen dit overnemen en verder verfijnen in hun eigenbeleidsplanning en consequent handelen in hun vergunning verlening.
Het college en de gemeenteraad hebben de volgende opmerkingen:
- Een gedifferentieerde aanpak op maat van elke kern is een logisch uitgangspunt. Ook een opdeling in categorieën lijkt verdedigbaar om een verwantschap tussen gelijkaardige kernen te benoemen en hieraan gelijkwaardige ontwikkelingsperspectieven te koppelen. Men laat verdere verfijning binnen eenzelfde type toe. Dat zal ook in onze gemeente nodig zijn; de kern Waver is een duidelijk andere kern dan Centrum en Elzestraat. Naar ons aanvoelen hoort de kern Centrum bij de dorpskernen met potentie. De data zijn niet heel recent (2016-2018) en houden (nog) geen rekening met recente en geplande ontwikkelingen: lokaal dienstencentrum De Plek, nieuwe evenementenzaal 't Gewent en ook het belang als regionale onderwijspool heeft te weinig doorwerking in de kerntypering; SUI en Hagelstein hebben een onmiskenbare regionale aantrekking en zeker de aanwezigheid van de campus De Nayer met Hogeschool Thomas More en KU Leuven zou in rekening gebracht moeten worden, niettegenstaande de campus niet in een kern gelegen is.
- De gemeente vraagt zich af of er rekening gehouden werd met de inplanting van het nieuwe algemene ziekenhuis St-Maarten net over de grens van de gemeente. Dit brengt een voelbare extra druk naar de kern Elzestraat: de ligging verhoogt de vervoersbewegingen langs de belangrijke assen (R6, N14) en zorgt voor extra sluipverkeer door de kern, werknemers willen dichter bij de werkplek wonen en specialisten willen dicht bij het ziekenhuis hun praktijk oprichten wat de druk op de woningmarkt vergroot. Welke wijzigingen brengt dit in een nieuwe versie van het ruimtekompas met zich mee?
- De typering van Pasbrug-Nieuwendijk als stedelijke dorpskern en de ontwikkelingsperspectieven die daaraan verbonden zijn stroken niet met de ontwikkelingsvisie in het door de Vlaamse regering goedgekeurde GRUP regionaalstedelijk gebied Mechelen. In het PBRA wordt aan deze kern de kleinste stedelijke rol in opvang van bijkomende huishoudens toegewezen (niet wenselijk). In het GRUP werd het woonreservegebied Maanhoevevelden geselecteerd als stedelijk woongebied en omgezet naar deels woongebied en deels watergevoelig open ruimtegebied. Deze tegenstrijdigheid wordt best opgelost. De gemeenteraad stelt voor om deze kern in het ruimtelijk beleid op twee verschillende manieren te benaderen: een meer stedelijk deel, waar een randstedelijke rol opgenomen kan worden en een deel waar die stedelijke rol niet speelt. Er is ook een duidelijk verschil tussen die delen, zowel morfologisch als qua voorzieningenniveau. Het deel rond Pasbrug en in de toekomst aangevuld met Maanhoevevelden is een randstedelijke voortzetting van de stad Mechelen gekenmerkt door rijwoningen, een hoge dichtheid en veel voorzieningen. Het deel rond Nieuwendijk bestaat eerder uit een lappendeken van ruime monofunctionele verkavelingen met minder voorzieningen. Rekening houdend met het te ontwikkelen gebied Maanhoevevelden en de in ontwikkeling zijnde site “Klein Seminarie” kan het programma voor het zuidoostelijke deel dan upgraden naar Randstedelijke rol. Het noordwestelijke deel blijft in de "laagste" stedelijke categorie. Er wordt een bijlage toegevoegd met een voorstel voor deze verschillende ruimtelijke benadering.
- De visualisatie van de verschillende kernen op basis van contouren geeft aanleiding tot discussie. De contour is niet steeds juist en geeft ongewild een bepaald gewicht door de grootte van de "vlek" die niet steeds in overeenstemming is met de wekelijkheid. Bijvoorbeeld Pijpelheide t.o.v. Bonheiden: op de kaart is Pijpelheide bijna dubbel zo groot als Bonheiden. Misschien moet er teruggegrepen worden naar een abstractere aanduiding en de exacte afbakening van de kernen over te laten aan de lokale overheden.
- Ook hier is het belangrijk de (resultaten van) instrumenten en criteria te overleggen en beoordelen in samenspraak met de gemeenten en regelmatig bij te werken. De provincie vraagt aan de gemeenten om een verfijning van o.a. de afbakening van de kernen, wat zeker nodig is gelet op enkele opvallende rariteiten, maar de afbakening die gebruikt wordt voor het ruimtekompas moet daarmee gelijk zijn.
- Men wil de uitdagingen op het vlak van bevolkings- en huishoudenstoename vooral opvangen in centra nabij voorzieningen en multimodale knooppunten. Dat is een vertaling vanuit het BRV. Men heeft de nodige groei in huishoudens (prognose Vlaanderen) verdeeld binnen regionale woningmarkten, gebaseerd op een onderzoek naar o.a. verhuisbewegingen. Er wordt dus niet, zoals bij de structuurplanning een aantal per gemeente toegewezen.
Het lijkt inderdaad beter om dit binnen regionale woningmarkten te organiseren, maar hoe gaat dit gestuurd worden? Welke rol gaat de provincie opnemen in het sturen van dat woningaanbod? Welke instrumenten zullen dat beleid ondersteunen? Moet dit allemaal in onderling overleg met de gemeenten binnen de regionale woningmarkt? Wie gaat dit monitoren en hoe? Een vaststelling: stad Mechelen voorziet 9.750 bijkomende wooneenheden tegen 2035. De provincie voorziet 4.744 wooneenheden voor de gehele Mechelse regionale woningmarkt (Mechelen + Duffel + Sint-Katelijne-Waver + Bonheiden + Putte). Dat is minder dan de helft. Een duidelijk voorbeeld van hoe dit fout loopt zonder sturing.
- De grote ambitie die Mechelen heeft mag geen nadelige invloed op de randgemeenten hebben. De stad moet niet alleen de lusten van meer inwoners dragen, maar ook de lasten. De stad moet haar voorzieningenniveau evenredig optrekken met het stijgend aantal huishoudens en misschien zelfs een inhaalbeweging maken. De gemeente vangt veel schoolgaande jeugd uit Mechelen op, net zoals vele verenigingen (jeugdbeweging, jeugdvoetbal, ...). Ook in het behoud van recreatiemogelijkheden ligt een grote uitdaging voor de stad, zodat deze niet te veel opgevangen moet worden door de omliggende gemeenten.
- De gemeente vraagt zich af of er rekening gehouden is met het bestaande juridische aanbod aan onbebouwde percelen in woongebied. Het verdelen van een woonprogramma over de regionale woningmarkten, verder verfijnd naar de verschillende kernen afhankelijk van hun potenties, geeft mooie tabellen, maar zal daar bij blijven zonder ingrijpen op dat juridische aanbod. Voor het type "kleine dorpen" wordt bijvoorbeeld geen enkele groei toegewezen, maar daar is ongetwijfeld nog een juridisch aanbod. Zonder een uitspraak te willen doen of een nulgroei wenselijk is of niet in dit kerntype, hoe zou dit gerealiseerd moeten worden?
- De aanwezigheid van verweefbare bedrijvigheid in de kern vormt op verschillende vlakken een meerwaarde. Er is echter nood aan een afwegingskader om te bepalen wat verweefbaar is en wat niet. Na het decennialang bundelen van bedrijvigheid op specifieke terreinen en verdwijnen ervan in de woonkernen is het draagvlak bij de bewoners voor de aanwezigheid van bedrijvigheid in woonkeren gewijzigd. Er wordt gevraagd de leefkwaliteit in de kernen te verhogen. Dat rijmt niet met vervoersbewegingen van vrachtwagens naar een bedrijf in de kern. Mobiliteit op maat van de kern zal een belangrijk onderdeel moeten uitmaken van zulk afwegingskader naast de vanzelfsprekende aspecten die bij een MER-screening aan bod komen.
- Al dan niet verweefbaarheid mag niet afhankelijk zijn van (het aantal) bezwaren die buren indienen, maar moet op objectieve criteria gebaseerd zijn. Bij het evalueren van de bezwaren zou er meer gewicht moeten worden gegeven aan het algemeen belang, en niet enkel aan het individueel belang. Mogelijkheid tot bezwaren/beroepen indienen zou beperkt moeten worden vanuit overheid, om meer evenwicht te creëren tussen het algemeen belang en het individueel belang.
- Men wil verweefbare bedrijven op bestaande bedrijvenzones verhuizen naar de kernen om zo plaats te maken voor niet verweefbare bedrijven. Voorziet de provincie een uitdoofbeleid? Zijn er compensaties voorzien voor eventuele herlokalisatie? Men stelt immers dat er principieel geen greenfields aangesneden mogen worden voor nieuwe niet verweefbare bedrijven. Op vrijwillige basis zal dat echter niet gebeuren.
3. Beleidskader Verdichten en ontdichten van de ruimte.
Met dit beleidskader wenst men ervoor te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen in onze schaarse ruimte niet langer versnipperd gebeuren. Door de beschikbare ruimte efficiënter te gebruiken, zal de druk op de open ruimte verminderen. Zo werkt de provincie mee aan de Vlaamse ambitie om tegen 2040 het dagelijks bijkomend ruimtebeslag tot 0 te herleiden. Daarom worden in het beleidskader instrumenten en methodieken aangereikt om te komen tot zuinig ruimtegebruik in de bebouwde en in de open ruimte.
De beschikbare open ruimte dient alle kansen te krijgen door enerzijds kwalitatief te verdichten (door efficiënter gebruik van de reeds bebouwde ruimte) en anderzijds te ontdichten (bebouwing en verharding verwijderen om extra open ruimte te creëren). Nieuwe economische bedrijvigheid en bebouwing worden verschoven naar locaties met een goede ligging, multimodale bereikbaarheid, energiebesparingspotentieel en ruimtelijke kwaliteit. Over welke locaties het gaat, wordt beschreven in het beleidskader “sterke netwerken: ruimte en mobiliteit” en het beleidskader “levendige kernen”.
Om deze doelstelling tot stand te brengen start de provincie zelf projecten en processen van bovenlokaal belang op, vormt ze partnerschappen met overheden en andere instanties, en steunt ze gemeenten in hun ruimtelijk beleid door middel van kennis, instrumenten, richtkaders en handleidingen.
Bijkomend ruimtebeslag wordt voorkomen en verminderd door:
- Werk te maken van een beter gebruik van het bestaande (goed gelegen) ruimtebeslag om extra bebouwing en verharding vermijden;
- Ecosysteemdiensten in beeld te brengen die een waarde toekennen aan onze open ruimte;
- Te infiltreren in plaats van te verharden;
- Na te denken over de toekomst voor leegstaande (agrarische) sites. Voor landbouw wil men vooral inzetten op herontwikkeling van bestaande agrarische bedrijvigheid indien deze een hoge landbouwwaarde hebben i.p.v. greenfields. Men heeft een landbouwkompas opgesteld dat zowel de landbouwer als de overheid toelaat een inschatting te maken binnen welke sites het al dan niet wenselijk is andere land- of tuinbouwfuncties in agrarisch gebied toe te laten en welke landbouwontwikkeling het best past op een specifieke locatie. Daarnaast heeft men een aantal uitgangspunten geformuleerd waarmee gemeentebesturen op een overzichtelijke manier vergunningsaanvragen voor zonevreemd gebruik in agrarisch gebied kunnen afwegen. De provincie stelt dat indien agrarische herontwikkeling niet mogelijk is niet-essentiële bebouwing en verharding moeten verdwijnen om het landbouwgebied te versterken.
- Te onderzoeken hoe functies van hun minder geschikte plaats naar ruimtelijk meer verantwoorde locaties kunnen worden begeleid. De juiste functie op de juiste plek.
- Bedrijvigheid: provincie streeft naar het juiste bedrijf op de juiste plek door optimalisering, herstructurering en verdichting van goede locaties. De bestaande economische ruimte maximaal behouden, versterken en optimaliseren, maar herbestemming is niet volledig uitgesloten. Het gaat over behoud van ruimte, niet van plek (indien slecht gelegen). Verweefbare bedrijven horen allereerst thuis in de kern. Er moet ook aandacht zijn voor energietransitie.
- Detailhandel: maximaal verweven in de kernen, niet verweefbare in clusters nabij de kern of beperkte steenweglocaties. Grootschalige detailhandel mag de open ruimte niet meer versnipperen. Lokaal detailhandelsbeleid opstellen in overeenstemming met het provinciaal beleid.
- Energietransitie met behoud van open ruimte: ruimtegebruik voor energie maximaal verweven in kernen en activiteitenclusters, daarbuiten moet het bijdragen aan landschapskwaliteit en het versterken van de open ruimte. Winsten uit energieproductie moeten terugvloeien naar de lokale gemeenschappen. Technologische vooruitgang die bijdraagt aan duurzaam ruimtegebruik wordt gepromoot. Energie besparing is minstens zo belangrijk dan opwekken.
De ruimte, zowel in de open als bebouwde omgeving, dient zo ingericht te worden dat ze weerbaar is voor de huidige en toekomstige klimaatverandering.
Energie is maximaal lokaal en hernieuwbaar: energieverbruik beperken door verspilling tegen te gaan, maximaal gebruik van hernieuwbare energie, in laatste instantie fossiele brandstoffen zo efficiënt mogelijk gebruiken.
Mobiliteit is gezond met minder CO2 uitstoot: afgelegde autokilometers verminderen, modal shift, overgebleven gemotoriseerde kilometers emissievrij.
Het college en de gemeenteraad hebben volgende opmerkingen:
- Ook hier de opmerking dat bij verplaatsing van slecht gelegen activiteiten de nodige instrumenten en compensaties voorhanden moeten zijn. Momenteel kan de gemeente enkel RUP's, verordeningen en een actief grondenbeleid inzetten, echter niet zonder financiële gevolgen. Het kan niet de bedoeling zijn om de factuur volledig door te schuiven naar de gemeenten. De vraag aan Vlaanderen om een herziening van het wetgevend kader rond planbaten en planschade door te voeren zodat ook gemeenten kunnen gebruik maken van de geïnde planbaten wordt onderschreven. Een herziening die leidt tot een grotere factuur bij planschade wordt negatief geadviseerd.
- De provincie stelt dat indien agrarische herontwikkeling niet mogelijk is, niet-essentiële bebouwing en verharding moeten verdwijnen om het landbouwgebied te versterken. Wie zal dat concretiseren? Welke compensaties staan daar tegenover?
- Men heeft het herhaaldelijk over uitdoofscenario's met eventueel afbraak. Van waar gaan de financiële middelen komen?
- De gemeente ondersteunt de vraag aan Vlaanderen om het wetgevend kader rond zonevreemde functiewijzigingen te herzien (verstrengen).
- Men neemt nog zaken over vanuit het BRV, zoals het ontlinten en verwijderen van verouderde slecht gelegen woningen, waarvoor gevraagd wordt welke instrumenten de gemeenten hiervoor kunnen inzetten en welke compensaties hiervoor mogelijk zijn.
De schrapping in het GRS
De provincie stelt de schrapping van bepalingen uit het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRS) met betrekking tot de site Bonduelle aan de Borgersteinlei/Hoeveweg voor (richtinggevend deel 3.1.2.2. Gewenste ruimtelijke structuur Pasbrug-Nieuwendijk en bindend deel 3.1.2. Nederzettingsstructuur en wonen). De motivatie voor deze schrapping is foutief:
- De provincie gaat er van uit dat er door deze passages in het GRS ruimte voor bedrijvigheid verdwijnt, maar de zone (aangeduid als gebied 22 bis op kaart 39 "woningprogrammatie") heeft als huidige gewestplanbestemming buffergebied. De bepalingen in het GRS doen dus geen bedrijvigheid verdwijnen. Men vergist zich waarschijnlijk met het industriegebied dat effectief op het gewestplan aanwezig is, ten zuiden van het gebied 22 bis. Dat is reeds omgevormd naar de bestemming natuurgebied via het gewestelijk RUP regionaalstedelijk gebied Mechelen (18/07/2008).
- De schrapping zelf wordt evenwel ondersteund. Het gebied heeft momenteel een groene gewestplanbestemming (buffergebied) en is in gebruik als voetbalterrein. Deze functie verdwijnt zodra de verhuis naar de Valkstraat voltooid is. De gemeente heeft plannen om hier het Pasbrugbos verder te ontwikkelen. De realisatie van bijkomend woonaanbod zal in Maanhoevevelden gebeuren en niet op deze locatie.