Artikel 25-52 decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van personenvervoer over de weg;
Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder (VVB);
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen;
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;
Het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 betreffende de bekendmaking en raadpleegbaarheid van besluiten en stukken van het lokaal bestuur, betreffende de wijze waarop de reglementen en verordeningen van het lokaal bestuur worden bijgehouden in het register en betreffende de raadpleegbaarheid van de besluiten van de politiezones en hulpverleningszones;
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Het verlenen van een vergunning aan een dienst voor VVB wordt decretaal verplicht belast door de gemeente waar de exploitatiezetel van de dienst gevestigd is. Om taxidiensten niet te bevoordelen t.o.v. diensten voor VVB wordt eveneens een belasting op taxidiensten ingevoerd. Gezien de recente wetswijziging is deze belasting slechts van toepassing op vergunningen voor taxi’s en VVB afgeleverd door de gemeente t.e.m. 31 december 2019.
Er worden diverse tarieven ingesteld naargelang het gaat om taxidiensten of verhuur van voertuigen met een chauffeur, daarnaast worden nog bijkomende tarieven voorzien indien er gebruik gemaakt wordt van bijkomende faciliteiten, zoals o.a. een standplaats op de openbare weg.
§1 Er wordt voor een periode vanaf heden en voor een termijn eindigend op 31 december 2024 een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de voertuigen bestemd voor de exploitatie van:
§2 Deze belasting geldt enkel voor de exploitatievergunningen die werden afgeleverd t.e.m. 31 december 2019.
De definities opgenomen in het decreet van 20 april 2001 (en latere wijzigingen) betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen en het besluit van 18 juni 2003 (en latere wijzigingen) van de Vlaamse regering betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder zijn van toepassing op onderhavig belastingreglement.
§1 De belasting wordt als volgt vastgesteld:
1° voor taxidiensten:
a) 350,00 euro per jaar/per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning (wanneer de exploitant geen standplaats heeft op de openbare weg);
b) 450,00 euro per jaar/per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning, wanneer de exploitant gebruik maakt van de standplaatsen op de openbare weg;
c) een bijkomende belasting van 75,00 euro per jaar/per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning van taxidiensten zonder standplaats op de openbare weg maar waarvan de voertuigen voorzien zijn van radiotelefonie;
d) 500,00 euro per jaar/per voertuig dat deel uitmaakt van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder waarvoor een bijkomende vergunning voor taxidiensten is aangevraagd.
2° voor diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder
a) 350,00 euro per jaar/per voertuig vermeld in de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning;
b) 500,00 euro per jaar/per voertuig van de exploitant van een vergunde taxidienst waarvoor een bijkomende vergunning voor het verhuren van voertuigen met bestuurder is aangevraagd.
§2 Volgens artikel 36, §5 en 49, §5 van het decreet van 20 april 2001 worden deze bedragen aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Deze aanpassing gebeurt door middel van een coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar, te delen door het indexcijfer van de maand december 2000.
De belasting is verschuldigd voor het hele jaar, onafhankelijk van het moment waarop de vergunning afgegeven werd. Ze is jaarlijks verschuldigd en ondeelbaar ten laste van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die houder is van de exploitatie op 1 januari van het aanslagjaar of op het moment van de afgifte van de vergunning. De vermindering van het aantal voertuigen geeft geen aanleiding tot een belastingteruggave. Dit geldt eveneens voor de opschorting of de intrekking van een vergunning of het buiten dienst stellen van een of meer voertuigen voor welke reden dan ook.
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen terzake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt overeenkomstig artikelen 285 tot en met 288 en artikel 330 van het decreet lokaal bestuur.