Artikel 170, §4 van de Grondwet: uitdrukkelijke bevoegdheid van de gemeenteraad voor het invoeren van belastingen.
Het huidige belastingreglement loopt af op 31 december 2019 en dient herstemd te worden. Deze tekst werd aangepast aan de modernere noden.
Wanneer het gemeentebestuur private gronden dient in te nemen, wordt het steeds moeilijker om eigenaars hiervan te overtuigen om dit kosteloos af te staan aan de gemeenschap. Een mogelijke toepassing van een verhaalbelasting op de wegzate kan er mogelijks voor zorgen dat zij meer geneigd zullen zijn om over te gaan tot kosteloze grondafstand.
Dat het een "daad van goed bestuur" is om daar waar het publiek vereist is, het gemeenschappelijk belang te laten primeren op het privaat belang, weliswaar rekening houdend met de rechten en plichten van de private eigenaars en zakelijk rechthouders op private onroerende goederen.
De financiële toestand van de gemeente.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen;
Het gemeenteraadsbesluit dd. 7 september 2015 houdende de goedkeuring van de belasting op de verwerving van de zate van de openbare wegen van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019;
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Met ingang van 1 januari 2020 en dit voor een termijn eindigend op 31 december 2025, wordt ten behoeve van de gemeente een jaarlijkse belasting ingesteld en geheven op de verwerving van de zate van de openbare wegen.
Worden onderworpen aan deze jaarlijkse verhaalbelasting, waarbij de door de gemeente gedane kosten worden teruggevorderd, de al dan niet aangelande eigendommen die gelegen zijn langs openbare wegen of gedeelten van openbare wegen die moeten verbreed worden en die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de nieuwe rooilijn van de openbare weg.
De belasting is van toepassing, ongeacht of er al dan niet inlijving van een particulier eigendom is geweest ingevolge afstand onder bezwarende titel, ruiling of onteigening.
De belasting is niet meer van toepassing op de percelen waarvan de volle eigendomsrechten gratis worden afgestaan aan het gemeentebestuur en dit vanaf het jaar van die afstand. Bedoeld worden die percelen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de nieuwe rooilijn als gevolg van de verbreding van de openbare weg.
Indien de eigenaar een perceel afstaat dat groter is dan bovengenoemd perceel, noodzakelijk voor de realisatie van de nieuwe rooilijn als gevolg van de verbreding van de openbare weg, is hem een evenredige vergoeding verschuldigd; indien hij minder afstaat, wordt hij aan de belasting onderworpen voor het verschil (in te nemen deel dat niet wordt afgestaan).
Deze eigenaars blijven evenwel hun recht op vergoeding behouden voor de vergunde gebouwen die waren opgericht op de afgestane of ingelijfde gronden.
Indien de eigenaar een perceel afstaat dat nog niet ingenomen is door een openbare weg met zijn aanhorigheden en die groter is dan 400m², noodzakelijk voor de realisatie van de nieuwe rooilijn als gevolg van de verbreding van de openbare weg, is hem een evenredige vergoeding verschuldigd voor het verschil (in te nemen deel boven de 400 m²).
Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 100% van de som van de terugvorderbare uitgaven nodig voor het verwerven van maximaal 400 m², benevens de intresten.
De duur waarover de belasting wordt toegepast is vastgesteld op 10 jaar.
De door deze belasting terugvorderbare uitgaven zijn:
1. De kosten voor het opstellen van de plannen;
2. De door de gemeente betaalde prijs van de verwerving, hetzij de onteigeningsvergoeding, hetzij de aankoopprijs van al de percelen welke in de bedding van de nieuwe weg zullen opgenomen worden;
Indien het perceel sedert meer dan 5 jaar aangekocht werd op 1 januari van het jaar waarin de aankoopverrichtingen een einde nemen, wordt er rekening gehouden, niet met de aankoopprijs, doch met de huidige verkoopwaarde;
3. Alle kosten die verband houden met het verwerven van de wegbedding waaronder de kosten der noodzakelijke akten, certificaten, getuigschriften alsook de personeels- en/of studiekosten voor de organisatie van de verwerving;
4. De administratieve en de gerechtskosten die gepaard gaan met de onteigeningen.
De terugvorderbare uitgave die ieder eigendom treft, is gelijk aan de eenheidsprijs per vierkante meter vermenigvuldigd met de oppervlakte van het door de gemeente verworven eigendom binnen de rooilijn, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 3. De eenheidsprijs per vierkante meter wordt bekomen door het geheel der verhaalbare uitgaven, benevens de schattingswaarde van de terreinen welke kosteloos worden afgestaan, te delen door de totale oppervlakte der ingenomen eigendommen binnen de rooilijn. De oppervlaktes worden uitgedrukt met twee cijfers na de komma.
De jaarlijks te betalen belasting omvat de jaarlijkse schijf van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling der terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest die op het niet-teruggestorte gedeelte moet worden betaald. De jaarlijkse belastingen kunnen berekend worden onder de vorm van vaste jaarlijkse bedragen.
De belasting kan lineair of degressief worden toegepast, wat moet ingeschreven staan in het vestigingsbesluit. Dit naar soevereiniteit van de gemeente.
De toe te passen rentevoet is die welke op het ogenblik dat de verrichtingen ten einde zijn, toepasselijk is op de aan de gemeente toegestane leningen voor de financiering van werken van dezelfde aard als die welke aanleiding geven tot de belasting.
De belastingplichtige kan zich, te allen tijde, van het bedrag der belasting kwijten door aan de gemeente de waarde te storten van het totaal bedrag der nog niet eisbare schijven van het kapitaal.
In dat geval dient hij daartoe een schriftelijke ter post aangetekende aanvraag in voor 31 december van het jaar tijdens hetwelk de betaling zal gebeuren.
De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de betaling plaats heeft.
De belasting slaat op het eigendom en is verschuldigd door de eigenaar.
In geval er een recht van opstal, een recht van erfpacht of een recht van vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de opstalhouder, de erfpachter of de vruchtgebruiker terwijl de eigenaar hoofdelijk voor het geheel met deze mede de belasting verschuldigd is.
Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen waarop de verschillende eigenaars een uitsluitend recht hebben, dan wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw verdeeld onder hen, in de verhouding van het kadastraal inkomen vastgesteld voor ieder afzonderlijk gedeelte.
Wanneer een gemeenschapsvennootschap bestaat, dan is deze hoofdelijk voor het geheel met alle mede-eigenaars mede de belasting verschuldigd.
In geval van overgang van onroerende zakelijke rechten wordt de nieuwe titularis belastingplichtige vanaf 1 januari volgend op de datum van de akte die hem het recht toekent. Dit onverminderd de mogelijkheid van de nieuwe en vorige titularis om hierover een ander contract tussen hen te sluiten.
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Worden op het kohier gebracht de belastingplichtigen, aangeduid zoals bepaald in art.7, ingevolge hun hoedanigheid van belastingplichtige op 1 januari van ieder volgend aanslagjaar.
De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd op de eerste januari volgend op de datum van voltooiing van de verwervingsoperaties, vastgesteld door een besluit van het college van burgemeester en schepenen.
De belasting wordt uitgesteld in volgende gevallen:
1. wanneer de huidige belastingplichtige vrijgesteld is ingevolge de wetten en besluiten;
2. voor de niet-bebouwde percelen welke gelegen zijn in de agrarische gebieden, de bosgebieden en de natuurgebieden van de gemeente, en dit blijkens de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van de vigerende plannen van aanleg of van een ruimtelijk uitvoeringsplan;
3. voor de percelen waarop het ingevolge een beslissing van de overheid niet toegelaten of niet mogelijk is te bouwen;
4. voor gebouwen of gedeelten van gebouwen, bestemd voor een dienst van openbaar nut.
Wanneer de toestand om reden waarvan de belasting uitgesteld werd, geheel of gedeeltelijk een einde neemt voor het verstrijken van een periode van 10 jaar, te rekenen vanaf het eerste belastingjaar, is de jaarlijkse belasting verschuldigd vanaf 1 januari hierop volgend en dit voor het overblijvend gedeelte van de periode waarin de belasting overeenkomstig art.3 kan betaald worden.
Indien, bij het verstrijken der 10 jaren deze toestand nog geen einde heeft genomen, wordt het goed definitief vrijgesteld.
In geval van opheffing of niet hernieuwing van de verordening voor het verstrijken van de terugbetalingstermijn bepaald bij artikel 3 betaalt de gemeente aan de bij artikel 7 bedoelde belastingplichtigen de kapitaalschijven terug die betrekking hebben op de nog overblijvende jaren.
Deze terugbetaling gebeurt ten laatste binnen de 18 maand na het laatste belastingjaar.
De bepalingen van vroeger van kracht zijnde reglementen op de verhaalbelastingen blijven van kracht op de toestanden die tijdens hun toepassingsperiode ontstonden. En deze die afwijkend zijn van dit reglement, eindigen van rechtswege van zodra dit reglement van toepassing wordt.
De vestiging en de invordering van de belasting, alsook de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Dit reglement zal worden bekendgemaakt overeenkomstig artikelen 285 tot en met 288 en artikel 330 van het decreet lokaal bestuur.